Over opgraven en uitwerken

Van bouwplan tot rapport.
Er komt heel wat bij kijken voordat een opgraving helemaal af is.

Vooraf

De wet
De bescherming van de archeologische waarden is wettelijk geregeld. Het uitgangspunt daarbij is dat ons bodemarchief voor de komende generaties wordt bewaard. Als het al eeuwen in de grond zit, kun je het daar het beste laten zitten. Tot het echt niet anders kan.

Omdat wij nu veel meer kunnen onderzoeken dan bijvoorbeeld 25 jaar geleden, mag je ervan uitgaan dat we het over 25 jaar vast nog veel beter kunnen. Het zou wel heel dom zijn als we nu al ‘alles’ opgraven. Laat die koeien maar rustig grazen! We doen dus alleen archeologisch onderzoek als de bodem verstoord wordt en het bodemarchief wordt aangetast.

De Archeologische Beleidskaart
‘Gaan jullie dan overal waar gebouwd wordt opgraven?’ Nee, zo is het ook weer niet. We weten waar we in Amersfoort archeologie kunnen verwachten. En dat staat ook op een kaart: de Archeologische Beleidskaart. De kaart is in 2019 door de gemeenteraad vastgesteld en geeft aan waar en wanneer er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.

Zo kan iedereen die (bouw)plannen maakt van tevoren zien of ze met archeologie te maken hebben. Om een voorbeeld te geven: in de rode delen (zoals bijvoorbeeld de binnenstad) heb je altijd met archeologie te maken. En in de gele delen (zoals in bijvoorbeeld Zielhorst) alleen als het (bouw)plan groter is dan 100 vierkante meter.

Onderzoek

Het toetsen van plannen
We worden op de hoogte gehouden van alle geplande bouwplannen en graafwerkzaamheden. Als er op een locatie archeologische resten bekend zijn of verwacht worden, beoordelen we of deze door de geplande werkzaamheden vernietigd worden. Zo ja, dan zullen wij onderzoeken of de archeologie met een aanpassing van de plannen in de bodem kan blijven zitten. Zo niet, dan besluiten we tot een opgraving.

Programma van Eisen
Wanneer het voor een terrein onderzoek noodzakelijk wordt geacht, stellen wij een Programma van Eisen op. Daarin staat welke archeologische sporen en vondsten we verwachten en hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd. Archiefonderzoek en bodemkundige gegevens helpen ons het onderzoek voor te bereiden.

In overleg met de aannemer en de projectontwikkelaar wordt de opgraving in de werkzaamheden gepast. Volgens de wet moet de partij die de grond verstoort het onderzoek betalen.

Proefsleuven en booronderzoek
In sommige gevallen (bijvoorbeeld in de binnenstad) is direct duidelijk dat een opgraving plaats moet vinden. Op andere plekken worden vaak eerst proefsleuven gegraven om te kijken of er inderdaad zit wat we verwachten. Dan wordt om de 25 meter een sleuf van 2 meter breed gegraven. In enkele gevallen is het voldoende om een booronderzoek te doen. Dan wordt op regelmatige afstand met een grondboor een monster genomen. Alles om te voorkomen dat we gaan opgraven waar de bodem al tot op grote diepte verstoord is.

De opgraving

Het grovere graafwerk
Uiteindelijk gaat de opgraving van start. Zeker in het stedelijke gebied kunnen we niet het hele terrein in een keer opgraven. Want waar moeten we met al die grond naar toe? Het terrein wordt dan verdeeld in ‘werkputten’. En de grond die uit de ene werkput komt, wordt tijdelijk op de plek van een andere werkput opgeslagen.

Met een graafmachine wordt de bovengrond verwijderd, totdat de eerste duidelijke historische resten zichtbaar worden. Nauwkeurig wordt beoordeeld of er dieper moet worden gegraven of niet. Een moeilijke beslissing: door dieper te graven kunnen de vage sporen duidelijker orden, maar ook geheel verdwijnen.

Als de bovenlaag weg is, wordt er met de hand verder gegraven. De sporen in het horizontale vlak worden voorzichtig met de schep afgeschaafd, om ze duidelijk zichtbaar te maken. Alle eventuele vondsten worden op de aangetroffen plek bewaard.

Sporen en vondsten
Bij een opgraving maken we een onderscheid tussen sporen en vondsten. Sporen (ook wel features genoemd) zijn alles wat je in de bodem kunt zien: verkleuringen, funderingen etc. Vondsten zijn de dingen die je op kunt pakken en mee kunt nemen, zoals scherven en botten.


Inmeten en registreren
Het hele vlak wordt digitaal ingemeten (voorbeelden) en gefotografeerd. Alle sporen worden nader benoemd en de vondsten die eruit afkomstig zijn, worden verzameld en geregistreerd. Alle sporen en vondsten krijgen een kaartje met een uniek nummer. Op de kaartjes staat waar en wanneer de sporen zijn blootgelegd en de vondsten zijn aangetroffen.


De profielen
Ook de verticale wanden van de opgravingsputten (de ‘profielen’) zijn van belang. Hierin is de bodemopbouw te zien: de jongste lagen bovenaan en naar onder toe steeds oudere. De profielen worden zorgvuldig afgeschaafd, zodat de gelaagdheid goed te zien is. Daarna worden de profielen op watervast materiaal getekend en gefotografeerd.

Couperen
Vervolgens wordt elk spoor aan een grondige inspectie onderworpen en met de hand uitgegraven. Daarbij schaven we eerst de helft van het spoor af, zodat de doorsnede van het spoor goed zichtbaar wordt. Dat noemen we couperen. Ook deze wordt beschreven, getekend en gefotografeerd. De vondsten worden apart verzameld en geregistreerd. Soms worden er speciale monsters genomen voor verdere analyse, zoals botanische monsters. Als er tijdens het opgraven niet genoeg tijd is om alle kleine vondstjes (bijvoorbeeld vissenbotjes of vuursteenstukjes) te verzamelen gaan we zeven. Of we doen spoorvulling in een flinke zak voor later onderzoek in ons lab.

Opgraven in de binnenstad
In de binnenstad volgen we in principe ook bovenstaande stappen, maar daar is het meestal veel ingewikkelder. Als er gebouwen gesloopt zijn, zijn de funderingen vaak expres niet gesloopt. Dan beginnen we meteen met de hand te graven. En heel vaak lopen allerlei sporen door elkaar: de fundering van het laatste gebouw loopt bijvoorbeeld door de muren van eerdere gebouwen.


Beerputten
Archeologen zijn dol op beerputten. Niet omdat we graag in oude poep graaien, maar wel omdat vroeger veel afval in een beerput werd gegooid. Een beerput is daarom vaak een schatkamer, vol met scherven, botjes en ander materiaal. Voor ons is het een archief vol informatie over de vroegere bewoners. Hij wordt dan ook heel voorzichtig ‘uitgelepeld’.

Als alles onderzocht, getekend en gefotografeerd is, is de opgraving klaar. De bouw kan dan starten, maar voor de archeologen was dit nog maar het begin. Nu komt de verwerking van alle gegevens en de uitwerking ervan. Want het gaat ons niet zozeer om de vondsten (we zijn geen schatgravers), maar vooral om de informatie die de opgraving en de vondsten opleveren: de reconstructie van een stukje van ons verleden. Hoe woonden de mensen, wat aten ze, wat voor werk deden ze en hoe? Daarmee levert iedere opgraving een bijdrage aan de (vaak ongeschreven) geschiedenis van Amersfoort. Eén week graven geeft een maand extra werk!


Meer dan 1 vlak?
Als het hele vlak goed onderzocht is, begint het hele verhaal weer opnieuw. Met de graafmachine wordt de opgravingsput verdiept en eventueel uitgebreid. Soms komt er dan een nieuwe laag met sporen en vondsten tevoorschijn. Dat gaat net zolang door totdat er geen sporen meer zitten. In de binnenstad maken we zo tot wel 3 tot 4 lagen / vlakken, waarbij we tot wel 4 meter diep graven!

De verwerking van de vondsten

Wassen en drogen
Alle vondsten worden naar ons pand aan de Westsingel gebracht. Allereerst worden de vondsten schoon gemaakt, zodat beter onderzocht kan worden wat het is, hoe oud het is en in welke staat het zich bevindt. Dat gaat heel voorzichtig, want sommige vondsten (denk aan glas en leer) zijn heel kwetsbaar. Tijdens het wassen worden vaak allerlei nieuwe ontdekkingen gedaan: de versiering op een pot wordt herkenbaar, een stuk lei blijkt beschreven of het glas blijkt gegraveerd. De vondstkaartjes worden steeds bij de vondsten bewaard, zodat we altijd na kan gaan waar die bijzondere vondst precies gevonden is.


Sorteren, beschrijven en restaureren
Na het drogen worden alle vondsten gesorteerd naar de verschillende materiaalgroepen (zoals aardewerk, bot, metaal en natuursteen) en bij veel vondsten wordt ook de code van de opgraving en het nummer van vondst erop geschreven. Daarna worden de vondsten doorgegeven aan de verschillende materiaalspecialisten. Vaak moeten die eerst flink puzzelen voordat tot beschrijving en restauratie kan worden overgegaan. Metaal moet eerst worden behandeld, want in dit stadium is het meestal niet veel meer dan een bonk roest. In de vitrine in de hal van ons pand aan de Westsingel zijn vondsten van recente opgravingen te zien.

Dan worden alle vondsten beschreven, getekend en gefotografeerd. De interessantste informatie kan zich verschuilen achter de eenvoudigste gegevens: de maat van een schoen, de lengte van een plank of de hoogte van een kan.

Zeefmonsters
De botanische monsters en de zakken met botjes worden onder de kraan gewassen en gezeefd. We hebben zeven met een maaswijdte van 0,25 tot 6 mm. Er wordt bijvoorbeeld gekeken hoeveel en van welke dieren er allemaal botten gevonden zijn. Ook zaden en pitten worden gesorteerd en geteld om zo bijvoorbeeld de historische begroeiing of het voedselpatroon te kunnen reconstrueren.

Bewaren
In de afgelopen 35 jaar hebben we meer dan 200.000 vondsten van de opgravingen mee genomen. Er wordt niets weggegooid. Maar om ze goed te bewaren, moeten veel vondsten geconserveerd worden. Voor elk voorwerp en elk materiaal wordt beoordeeld óf en hoe dat het beste kan worden gedaan. Alles wordt zorgvuldig verpakt en opgeborgen in ons depot.

Onze expositie
Mooie en interessante vondsten gaan naar tentoonstellingen en vitrines. Ruim 1000 voorwerpen kun je zien in onze expositieruimte. We lenen regelmatig vondsten uit voor tentoonstellingen door het hele land.

De uitwerking van de gegevens

Heel veel informatie
Zowel tijdens de opgraving, als bij het verwerken van de vondsten, wordt er heel veel informatie verzameld. En tegenwoordig staat natuurlijk heel veel op de computer. Statistiek, digitale tekeningen, foto’s, en desnoods 3-dimensionale modellen helpen de archeoloog om de gegevens te ordenen.

Het echte denkwerk
Uiteindelijk zit de archeoloog met een hele stapel papieren, formulieren, rapporten en tekeningen voor zich. Al die gegevens moeten worden beoordeeld, geïnterpreteerd en gecombineerd, zodat er een samenhangend verhaal ontstaat. Probeer uit die kaarten met alle sporen van een opgraving (grotere voorbeelden) maar eens te ontdekken waar het allemaal om gaat: het achterhalen van de geschiedenis van díe specifieke plek. Soms gaat om alleen de grote lijnen, soms om de kleinste details.

De vooraf gestelde onderzoeksvragen worden beantwoord en ook alle nieuwe vragen die tijdens het onderzoek zijn opgekomen. Er wordt vakliteratuur bij gehaald of de problemen worden voorgelegd aan collega-archeologen. Theorieën worden weerlegd of bevestigd, want lang niet alles wat we boven halen is meteen duidelijk. Soms worden vragen pas na vele jaren beantwoord.

Het rapport
Uiteindelijk wordt het verhaal opgeschreven. Over elke opgraving publiceren we een rapport. Niet alleen voor het geïnteresseerde publiek, maar ook voor vakgenoten, zodat zij voor hun onderzoek over onze allerlaatste gegevens beschikken. Zeker bij een grote opgraving kan het een paar jaar duren voordat het eindrapport gepubliceerd wordt.

Tot slot

Het weer
Veel mensen denken dat wij vooral bij een lekker zonnetje aan het werk zijn. Was dat maar zo! We staan vaak in het water en de modder te werken. En sneeuw is wel lastig, maar geen reden om thuis te blijven. En ook een hittegolf houdt ons niet tegen.


De KNA
Tijdens het hele proces van onderzoek, opgraven en uitwerken gaan we niet zomaar te werk. In de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is tot in detail beschreven wie wat precies mag doen en hoe. Het voordeel daarvan is dat de onderzoeken in het hele land met elkaar te vergelijken zijn. Soms is het werk door de KNA er niet gemakkelijker op geworden; de samenvatting van de KNA beslaat al meer dan 250 pagina’s . . .

Onze website
Je hebt onze website al gevonden. In de Storymap kun je de resultaten van meer dan 70 opgravingen terug vinden. En onder Vondsten met een verhaal vind je beschrijvingen van tientallen vondsten.