Christus in het kribbetje

Het beeldje van het kribje met het kindje Jezus is gevonden bij de opgraving van het Mooierplein (in 1998). De stadsarcheologen troffen deze bijzondere vondst aan tussen huisafval uit de 16de eeuw. Het is een beeldje van slechts een kleine 5 cm en is gemaakt van pijpaarde (fijne witte klei), die is gemengd met roodbakkende klei. Het was beschilderd; er zijn namelijk nog wat restanten verf (bijvoorbeeld rood aan de linkerkant van het kribje) te bespeuren.

De kribbe is te zien in de vitrine Reformatie (1500-1600).

Het beeldje is vervaardigd in een mal van waarschijnlijk aardewerk. Op deze manier was een grote productie mogelijk, waardoor dit soort beeldjes goedkoop was en ze geschikt maakte voor huisdevotie. Utrecht was in de Late Middeleeuwen een belangrijke productieplaats. Pijpaarden beeldjes worden vrij vaak gevonden bij opgravingen en het Christuskind komt veel voor. Afgebeeld in een kribbe, zoals bij de Amersfoortse vondst, is echter zeldzaam. Waarschijnlijk is het Amersfoortse kribje uit de eerste helft van de 16de eeuw, want na de Reformatie worden in de Noordelijke Nederlanden dergelijke beeldjes niet meer gemaakt

De voorstelling van Jezus in de kribbe gaat terug tot in de 4de eeuw. In het evangelie van Lukas staat het geboorteverhaal van Jezus: gewikkeld in doeken, wordt het kindje in een kribbe gelegd. Tot in de 13de eeuw wordt Jezus tot de kin toe ingebakerd afgebeeld. Het beeldje uit Amersfoort laat Jezus, niet gewikkeld in doeken, maar naakt zien: een mollige baby met het hoofd op een kussen. In zijn linkerhand draagt hij een rijksappel (een bol met kruis), met zijn rechterhand maakt hij een zegenend gebaar. Het Christuskind wordt afgebeeld als Salvator Mundi, Verlosser van de wereld. Dat is een gebruikelijke manier van afbeelden in de 15de en 16de eeuw. De kribbe zelf heeft meer weg van een schommelwiegje dan van een voederbak, de oorspronkelijke betekenis van het woord kribbe.

Van deze vondst zijn replica’s te koop bij het Centrum voor Archeologie

Verder lezen? Download het artikel van André Glazing en Timo d’Hollosy in het boek ‘Een maand op zicht’.