Vriend op vijand?

Tegenwoordig warmen we ons aan de centrale verwarming; in voeger tijden was men voor warmte afhankelijk van vuur. Dat vuur zorgde niet alleen voor warmte, het bracht ook altijd het risico van brand met zich mee.

Binnenbrandjes
We kennen al resten van kampvuren uit de prehistorie. Ook bij Amersfoort zijn dergelijke haardkuilen gevonden. De oudste daarvan stammen uit het Mesolithicum, uit circa 6700 voor Chr.
In de IJzertijd (800 voor Chr. tot het begin van onze jaartelling) verschijnen de eerste boerderijen. Tot de Late-Middeleeuwen worden ze volgens hetzelfde principe gebouwd: een woongedeelte met daaraan vast een boederijgedeelte, gebouwd van hout, een dak van stro of riet en met wanden van wilgentenen die bestreken zijn met leem. Men gebruikte vuur om het huis te verwarmen, te verlichten en om op te koken. De haard kreeg een centrale plek, midden in het vertrek, zo ver mogelijk bij de brandgevaarlijke wanden vandaan. De rook verdween door een luik in het dak.

Brandgevaar
Om het risico op brand te verminderen veegde men ’s nachts de nagloeiende kooltjes op een hoop, bedekte ze met as en zette er een aardenwerken kom overheen, een zogenaamde ‘vuurstolp’ of ‘vuurklok’. Bij de opgraving op het Lieve Vrouwekerkhof is een vrijwel complete vuurstolp uit de 14de eeuw gevonden. Het is een grote grijze kom, met een handvat en een rookgat net onder het handvat. In en om Amersfoort zijn meerdere restanten van dergelijke vuurstolpen gevonden.

De vuurstolp is te zien in de vitrine Jaarmarkt en ossenhandel (1300-1400).

Stadsbranden en brandpreventie
In de steden van de Late-Middeleeuwen kon brand snel om zich een grijpen: verreweg de meeste huizen waren van hout en ze stonden dicht opeen. Ook in Amersfoort hebben er zeker zes grote stadsbranden plaatsgevonden. Stadsbesturen deden er daarom alles aan om het brandgevaar zo klein mogelijk te maken. Halverwege de 15de eeuw kwam er een verbod op weeke delen: nieuwe huizen mochten alleen nog maar gedekt worden met een harde bedekking. Dat konden leien, daktegels of pannen zijn. Bij opgravingen vinden we resten van alle drie. Zo’n dakbedekking was een kostbare zaak. Om die reden subsidieerde het stadsbestuur huiseigenaren. Rond 1500 kon een eigenaar ⅓ van de kosten van een pannendak terugkrijgen. Wanden van steen hadden overigens veel minder prioriteit. Het zou nog tot 1758 duren voor het laatste houten huis in Amersfoort werd afgebroken.

Verder lezen? Download het artikel van André Clazing in het boek ‘Gespaard verleden’.