Zalvend en smerig

Tien 17de-eeuwse apothekerspotjes, ook wel zalfpotjes genoemd, hebben vrijwel zeker een geneeskrachtig kruidenmengsel bevat. De kleine potjes kwamen bij het archeologisch onderzoek op de hoek Muurhuizen / Nieuwstraat uit een beerput tevoorschijn. Het zijn heel eenvoudige en functionele voorwerpen van rood en wit aardewerk, met alleen aan de binnenkant een laagje glazuur. Mooi hoefden ze blijkbaar niet te zijn, maar wel praktisch en goedkoop. Ze werden gebruikt door apothekers om de zalven en poeders die ze verkochten aan hun klanten mee te geven. Een houten dekseltje of een stukje varkensblaas diende als afdichting.

De zalfpotjes zijn te zien in de vitrine Gouden eeuw (1600-1700).

Naast de tien zalfpotjes werd in een andere beerput op hetzelfde terrein een volkomen gave apothekerspot gevonden. Deze ‘albarello, is van roodbakkend aardewerk met een groen dekglazuur en dateert uit de 16de eeuw. Dergelijke potten werden door apothekers als voorraadpot voor kruiden en dergelijke gebruikt. Ze zijn de voorlopers van de prachtig versierde potten uit latere tijd.

Heeft er op de hoek van de Muurhuizen en de Nieuwstraat misschien een apotheker gewoond, die wat oude troep heeft opgeruimd? Daarvoor kon in historische bronnen geen bevestiging worden gevonden.

Dokters en apothekers hadden in de Gouden eeuw veel minder kennis dan nu. Er waren geen moderne medicijnen en men gebruikte hoofdzakelijk kruiden en andere ingrediënten uit de natuur. Zo kennen we het recept van een waarschijnlijk heel smerig drankje: op drie flessen witte wijn doet men de volgende ingrediënten: ‘Kreeftsogen, schelvisbeentjes, sedan-wortel van elk het gewicht van twee goudguldens. Snoekskieuwen, het gewicht van vier goudguldens. Snoeksoogen, het gewicht van een goudgulden. De vles moet worden toegemaact, doch niet te vast om springen te voorkomen. En van tijd tot tijd omgeschud worden. Men gebruikt er van ’s morgens, nuchteren, vier leepels en even veel ’s avants ten minsten een uur voor het avonteeten.´

Verder lezen? Download het artikel van André Clazing in het boek ‘Gespaard verleden’.