Wijnfiasco’s

De oudste sporen van wijnmakerij zijn gevonden bij de Babyloniërs en ruim 7000 jaar oud. Via de Egyptenaren, Grieken en Romeinen verspreidde de wijnbouw zich over Europa.

In de Middeleeuwen was glas vrij kostbaar. Glaswerk kwam alleen voor bij de hoge adel, geestelijkheid en in de kloosters. De wijnfles werd voornamelijk gebruikt als een karaf, om te vullen vanuit het vat en daarna leeg te schenken aan tafel.

In de tweede helft van de 17e eeuw werd de glazen fles niet alleen meer gebruikt om uit te schenken, maar ook om wijn langere tijd in te bewaren. De speciale dikwandige wijnflessen werden met de mond geblazen en één flinke teug lucht leverde een fles op van ongeveer 750 ml, ook vandaag de dag nog onze standaardmaat. De ziel (bodem) werd bij de vroegere flessen steeds hoger opgestoken, om de droesem bij het uitschenken beter op de bodem te kunnen houden.

In de gracht rond huis Emiclaer in Amersfoort-Noord werd tijdens de opgraving een complete en puntgave wijnfles van rond 1700 gevonden. Identieke flessen werden aangetroffen in het VOC scheepswrak van ‘de Amsterdam’ voor de kust van Hastings.

De fles is te zien in de vitrine Thee, tabak en buitenhuizen (1700-1800).

Dan de titel van deze pagina. Het woord ‘fles’ komt van het Italiaanse woord ‘fiasco’. Van een wijnfiasco is eigenlijk geen sprake, als je ziet wat een successtory de wijnfles is geworden!

Van deze vondst zijn replica’s te koop bij het Centrum voor Archeologie, gevuld met Monbazillac. Dezelfde zoete wijn die ook in de 17de eeuw uit deze flessen geschonken werd.

Verder lezen? Download het artikel van Wilma van den Heuvel en Timo d’Hollosy in het boek ‘Gespaard verleden’.