Aardewerk

Lang is gedacht dat aardewerk zijn intrede doet als de eerste boeren op het toneel verschijnen. Inmiddels weten we dat dat niet klopt. Ook jagers/verzamelaars gebruiken het al; sterker nog, zij zijn de uitvinders ervan. Het is een belangrijke technische innovatie.

Wat is het en waar komt het vandaan?

Het oudste aardewerk dat ooit gevonden is komt uit het Oosten van Azië en dateert van 12.000 tot 20.000 jaar geleden, tegen het einde van de laatste ijstijd, millennia voor de eerste boeren. Het zijn potten die gebruikt zijn voor het koken van vis. Als rond 10.000 jaar geleden de laatste ijstijd voorbij is, het klimaat opwarmt en we in het Holoceen belanden, zie je dat mensen meer aardewerk gaan gebruiken. Er is meer voedsel en misschien is dit de manier om dat allemaal te verwerken.
Aardewerk in zijn meest rudimentaire vorm wordt gemaakt van leem of klei uit rivieren uit de directe omgeving. Eenmaal droog wordt de klei gebakken, zodat het hard wordt. De betere soorten kun je op een hoge temperatuur bakken; bij mindere soorten kan dat niet. Zonder glazuurlaag blijft dit altijd poreus. Steengoed en porselein zijn de hardste soorten aardewerk, gebakken op hoge temperatuur.

Wat maken ze ervan?

Bij ons in de regio dateert het oudste aardewerk uit de Late Steentijd. Het is een urn, gebruikt om de as van een overledene in te bewaren.
Later, rond de IJzertijd, komen er potten, schalen en kommen, allemaal gemaakt van klei uit de directe omgeving. Ze worden gebruikt om in te koken, uit te eten en om voorraad in op te slaan. In de Middeleeuwen komen daar borden, drinkbekers van steengoed, potten, grapes (een kookpot op 3 pootjes), kruiken en vetvangers bij.
Naarmate de tijd voortschrijdt wordt het arsenaal aan potten, pannen en servies groter en groter, vooral voor de elite. Tot de 19de eeuw is het allemaal nog handwerk. Dan verandert ook dat en komt het serviesgoed voortaan uit fabrieken.

Aardewerk en archeologie

Aardewerk vormt voor archeologen een belangrijke bron van informatie. Het is breekbaar; eenmaal kapot wordt het voorwerp weggegooid. Bovendien verweert het slecht. We vinden dus relatief veel scherven en voorwerpen, meer of minder compleet. Het is modegevoelig: stijl, versiering en techniek veranderen in de loop van de tijd. Dat helpt bij de datering van het materiaal, van een bepaalde vindplaats of laag. Sommige culturen zijn zelfs genoemd naar de vorm van het aardewerk dat ze maken. Denk maar aan de klokbekercultuur uit de Late Steentijd, met bekers die op een omgekeerde klok lijken.
Alle scherven worden gewassen, gesorteerd, geregistreerd en vervolgens ingedeeld op bakselgroep. Daarbij kijken we naar kleisoort, productiewijze, herkomst en datering. Dan wordt het puzzelen en probeer je de scherven, voor zover mogelijk, als voorwerp te identificeren en vast te stellen hoe het ooit gebruikt is. Met die informatie proberen we steeds weer opnieuw een stukje uit ons verleden te reconstrueren.

Hoe bewaar je het?

Conserveren is bij aardewerk niet nodig: het gaat kapot, maar valt niet uit elkaar. Restaureren doen we, als het even kan, wel. In passende kleur vullen we de ontbrekende delen op, altijd zo dat je kunt zien wat origineel is en wat niet. Eenmaal gerestaureerd kan het voorwerp tentoongesteld worden.